1 Doelstelling vaardigheid mondverzorgingde keuze voor de materialen voor mondverzorging te verantwoorden.
De cursist is in staat zelfstandig en overeenkomstig het aangereikte vaardigheidsprotocol mondverzorging toe te passen bij een bewoner.
Leerdoelen theoretische componenten van de vaardigheid:
De cursist is in staat
1. de anatomie van de mond en keel in het kort te beschrijven.
2. te verwoorden wat mondverzorging inhoud.
3. het doel van mondverzorging te benoemen.
4. de specifieke aspecten t.a.v. mondverzorging bij ouderen te verwoorden.
5. de aandachtspunten t.a.v. mondverzorging te benoemen bij bewoners die
sondevoeding krijgen.
6. de keuze voor de materialen voor mondverzorging te verantwoorden.
Leerdoelen voor het verpleegtechnisch handelen.
De cursist is in staat
1. de benodigdheden voor mondverzorging klaar te zetten.
2. mondverzorging toe te passen in een oefensituatie op een fantoom.
3. de controles te verrichten in de mond voor en nadat deze is gereinigd.
2 Doelstelling vaardigheid maagsonde inbrengen.
De cursist is in staat zelfstandig en overeenkomstig het aangereikte vaardigheidsprotocol een maagsonde in te brengen bij een bewoner.
Leerdoelen theoretische componenten van de vaardigheid:
De cursist is in staat
1. de anatomie en fysiologie van de slokdarm en maag in het kort te beschrijven.
2. te verwoorden wat het doel en de indicaties zijn van een maagsonde.
3. de specifieke aandachtspunten te benoemen bij het inbrengen van een
maagsonde.
4. specifieke zorgaspecten te benoemen bij een bewoner met een maagsonde.
5. te beschrijven welke complicaties zich kunnen voordoen bij het inbrengen van
een maagsonde.
6. de keuze voor de benodigde materialen te verantwoorden.
7. te benoemen waarom de handeling volgens protocol dient te worden
uitgevoerd.
Leerdoelen voor het verpleegtechnisch handelen.
De cursist is in staat
1. de benodigdheden voor het inbrengen van een maagsonde klaar te zetten.
2. een maagsonde in te brengen in een oefensituatie bij een fantoom.
3. de controles te verrichten voor en na het inbrengen van een maagsonde.
4. de juiste acties te ondernemen als er complicaties ontstaan bij het inbrengen
van de maagsonde.
3 Doelstelling vaardigheid maagsonde verwijderen
De cursist is in staat zelfstandig en overeenkomstig het aangereikte vaardigheidsprotocol een maagsonde te verwijderen bij een bewoner.
Leerdoelen theoretische componenten van de vaardigheid.
De cursist is in staat:
1. te verwoorden wanneer een maagsonde verwijdert dient te worden.
2. de algemene aandachtspunten te benoemen bij het verwijderen van een
maagsonde.
3. de eventuele complicaties die kunnen optreden bij het verwijderen van een
maagsonde te omschrijven.
Leerdoelen voor het verpleegtechnisch handelen.
De cursist is in staat:
1. de benodigdheden voor het verwijderen van een maagsonde klaar te zetten.
2. de maagsonde te verwijderen in een oefensituatie bij een fantoom.
3. de controles te verrichten voor en nadat de maagsonde bij de bewoner is
verwijderd.
4. Doelstelling vaardigheid toedienen sondevoeding via een druppelinfuus of
trechter/spuit.
De cursist is in staat zelfstandig en overeenkomstig het aangereikte vaardigheidsprotocol sondevoeding toe te dienen bij een bewoner.
Leerdoelen theoretische component van de vaardigheid:
De cursist is in staat:
1. het belang van voeding in het algemeen te verwoorden.
2. het specifieke belang van voeding bij ouderen te benoemen.
3. het doel en de indicaties van sondevoeding te benoemen.
4. te verwoorden op welke wijze sondevoeding invloed heeft op het
welbevinden van een bewoner.
5. de specifieke zorg voor een bewoner met sondevoeding te benoemen.
6. te beschrijven welke complicaties zich kunnen voordoen bij sondevoeding.
7. de keuze van de sondevoedingsmaterialen te verantwoorden.
8. het verschil aan te geven tussen sondevoeding via een druppelinfuus en via een
trechter/spuit.
Leerdoelen voor het verpleegtechnisch handelen.
De cursist is in staat:
1. de benodigdheden voor het geven van sondevoeding via een druppelinfuus
klaar te zetten.
2. de benodigdheden voor het geven van sondevoeding via een trechter of spuit
klaar te zetten.
3. sondevoeding te geven via een druppelinfuus en via een trechter/spuit in een
oefensituatie op een fantoom.
4. de controles te verrichten voor en nadat de sondevoeding is gegeven.
TABEL PLAATSEN